Vijf jaar Claire CO₂
Hoe lokale carbon credits de klimaattransitie wél versnellen
“Lokale carbon credits kunnen zorgen voor onmiddellijke, meetbare resultaten en brengen de klimaattransitie eindelijk op kruissnelheid.”
Prof. Steven Van Passel
Vice-rector Valorisation and Sustainability Universiteit Antwerpen
Vijf jaar geleden was lokale CO₂-compensatie nog een niche-idee. Vandaag bewijst Claire CO₂ dat het een essentieel puzzelstuk vormt in de versnelling van de klimaattransitie. Terwijl grote engagementen en internationale carbon markets vaak blijven steken in langetermijnbeloften, tonen lokale projecten aan dat échte impact vooral ontstaat door snelheid, nabijheid en concrete uitvoering. Na vijf jaar pionieren heeft Claire CO₂ één duidelijke les geleerd: de klassieke manier waarop we naar additionaliteit kijken, het idee dat een project enkel waardevol is als het zonder financiële steun niet zou doorgaan, is te beperkt voor de urgentie van vandaag. Wat telt, is niet enkel of een project plaatsvindt, maar vooral wanneer en op welke schaal.
Die nieuwe visie kreeg vorm in wat we de ‘versnellingsfilosofie’ noemen, een manier van werken waarbij carbon credits niet langer dienen om uitstoot decennialang af te kopen, maar om klimaatprojecten nú mogelijk te maken. Carbon credits terug naar de basics: een aanvulling op de eigen inspanningen. Geen lange termijn afkoop, doch katalyseren bij anderen voor het deel waar zelf verlagen vandaag nog niet mogelijk is. Van zonnepanelen op scholen tot koolstoflandbouw bij de boer om de hoek, door investeringen naar voren te halen en lokale actoren te betrekken, maken lokale carbon credits het katalyserend verschil tussen intentie en actie.
De versnellingsfilosofie: eerder is beter
De essentie van de versnellingsfilosofie is eenvoudig. Een ton CO₂ die vandaag niet wordt uitgestoten, telt zwaarder dan een ton die pas over tien jaar vermeden wordt. In plaats van te focussen op de vraag of een project zonder financiering zou doorgaan, kijkt deze benadering naar wanneer en op welke schaal het plaatsvindt.
Carbon credits kunnen dus ook ingezet worden om investeringen te versnellen die anders op de plank blijven liggen, bijvoorbeeld omdat andere prioriteiten voorgaan of de financiële ruimte tijdelijk ontbreekt. Ze kunnen helpen om projecten uit te breiden, denk aan extra zonnepanelen, bijkomende isolatiemaatregelen of snellere plaatsing van warmtepompen. Ook innovatieve technologieën die technisch rijp zijn maar nog een hoge instapdrempel kennen, kunnen via carbonfinanciering sneller marktaandeel winnen.
De klassieke interpretatie van additionaliteit, “het project zou anders niet bestaan”, wordt in deze visie aangevuld met het idee van tijdelijke additionaliteit: projecten die er sowieso zouden komen, maar door credits eerder doorgaan. In een wereld waarin de CO₂-concentratie jaar na jaar stijgt, is dat tijdsaspect cruciaal.
Waarom korte looptijden essentieel zijn
De traditionele koolstofmarkt hanteert vaak projectlooptijden van twintig tot dertig jaar. Dat lijkt logisch: hoe langer de periode waarin emissiereducties worden gemeten, hoe groter de totale hoeveelheid credits die verkocht kan worden. Maar die redenering houdt een gevaar in.
Ten eerste drukken lange looptijden de prijs per ton CO₂ kunstmatig omlaag. Een bosproject dat dertig jaar lang credits mag verkopen, kan zijn inkomsten spreiden over drie decennia, waardoor de prijs vandaag laag blijft. Bedrijven kunnen zich zo voor tientallen jaren “inkopen” in goedkope compensatie, terwijl hun eigen uitstoot grotendeels onveranderd blijft.
Ten tweede vertraagt dit model de noodzakelijke investeringsgolf. In plaats van elk jaar nieuwe projecten te financieren, worden bestaande projecten uitgesmeerd over tientallen jaren. De globale impact op de atmosferische CO₂-concentratie blijft daardoor minimaal: de stijging wordt misschien iets afgeremd, maar niet omgebogen.
Claire CO₂ pleit daarom voor een radicaal andere benadering. Carbon credits moeten kortlopend zijn. Technische reductieprojecten (zoals zonnepanelen of warmtepompen) zouden maximaal drie jaar credits mogen genereren; captatieprojecten zoals bosaanplant of koolstoflandbouw maximaal zes jaar. Op die manier blijft de focus op voortdurende actie en wordt de markt vanzelf een motor van herinvestering.
De valkuil van lange looptijden en lage prijzen
Het aanhouden van lange periodes lijkt aantrekkelijk omdat het projecten “goedkoper” maakt voor de koper van credits. Maar dit is een schijnvoordeel. De lage prijs weerspiegelt niet de échte maatschappelijke kost van uitstoot, en zorgt ervoor dat bedrijven de noodzakelijke investeringen in eigen huis of eigen keten blijven uitstellen.
Een klassiek voorbeeld zijn internationale bosprojecten die dertig jaar lang credits verkopen. Ze leveren weliswaar een bijdrage aan CO₂-opslag, maar geven tegelijk bedrijven de mogelijkheid om decennialang emissies te blijven compenseren zonder structurele verandering. Het effect op de mondiale CO₂-balans blijft marginaal, terwijl het investeringskapitaal dat nodig is voor lokale versnelling elders geblokkeerd zit. Met de versnellingsfilosofie wordt dat anders. Door de periode drastisch in te korten, stijgt de reële prijs van een ton CO₂. Dat lijkt tegenintuïtief, maar het zorgt er juist voor dat er meer projecten tegelijk worden opgestart en dat vervuiling een correcter prijskaartje krijgt. Carbon credits worden opnieuw wat ze ooit moesten zijn, een tijdelijk duwtje in de rug om klimaatprojecten mogelijk te maken, geen structurele inkomstenbron die inertie in stand houdt.
Internationale evolutie in dezelfde richting
Hoewel de term ‘versnellingsfilosofie’ nieuw is, beweegt het internationale debat wel in dezelfde richting. Het Science Based Targets initiative (SBTi) introduceerde met Beyond Value Chain Mitigation een kader dat erkent dat bedrijven ook buiten hun eigen waardeketen klimaatprojecten kunnen ondersteunen via carbon finance. De ICVCM Core Carbon Principles erkennen op hun beurt dat inkomsten uit carbon credits kunnen bijdragen aan een snellere of grotere implementatie van klimaatprojecten, op voorwaarde dat additionaliteit aantoonbaar blijft. Ook de UNFCCC, de Wereldbank en de OESO verwijzen naar ‘catalytic carbon finance’: financiering die risico’s verlaagt, investeringen versnelt en de time-to-market van projecten verkort.
Toch blijft de onderliggende benadering in veel van deze initiatieven eerder conservatief. Ze erkennen wel het belang van versnelling, maar blijven vasthouden aan een traditionele, strikt geïnterpreteerde additionaliteitsdefinitie en aan mechanismen die ook langetermijnkredieten toelaten — precies daar zit een structureel probleem. In dat licht is SBTi momenteel één van de weinige die met BVCM een concept aanbiedt dat expliciet beide verzuchtingen combineert: de nood aan versnelling én het behoud van het klassieke, maar vaak te goedkoop benaderde kredietmodel.
Er ontstaat dus stilaan internationale consensus dat het niet volstaat om emissies “ergens” te compenseren. De echte uitdaging zit in tempo en impact: hoe sneller projecten gerealiseerd worden, hoe groter hun bijdrage aan het beperken van de opwarming. Maar om dat potentieel volledig te benutten, moet het systeem ook zijn traditionele interpretaties en incentives herdenken.
Wanneer is een project versnellend?
Om te bepalen of een project effectief versnelt, hanteert Claire CO₂ vijf toetsstenen. Ten eerste moet het gaan om een nieuw project, geen bestaande installatie of al lang uitgevoerd initiatief. Ten tweede mag het niet wettelijk verplicht zijn, wat men sowieso moet doen, is per definitie niet additioneel. Een derde element is de maximale looptijd, die zoals gezegd kort moet blijven: drie jaar voor technische reductie, maximaal zes jaar voor captatie. Ten vierde speelt de financiële bijdrage een rol. Om effectief gedrag te beïnvloeden, moet de stimulans substantieel zijn. Uit Europese subsidieprogramma’s blijkt dat steun lager dan tien procent van de investering zelden actie teweegbrengt, terwijl steun rond twintig procent doorgaans wél het verschil maakt. Bij projecten die al publieke steun ontvangen, kan een bijdrage van vijf procent via carbon credits voldoende zijn om beslissers over de streep te trekken.
Tot slot is er de emissiefactor. Bij het berekenen van vermeden uitstoot gebruikt Claire CO₂ steeds de ‘residual mix’ van het Association of Issuing Bodies (AIB), die aangeeft wat de gemiddelde CO₂-uitstoot is van elektriciteit waarvoor geen garanties van oorsprong bestaan. Zo wordt dubbele claiming vermeden en sluiten de berekeningen aan bij internationale standaarden zoals ISO 14064, het GHG Protocol en de SBTi.
Hoe werkt dit in de praktijk?
Een school die 100 000 euro investeert in zonnepanelen kan dankzij carbon credits haar terugverdientijd verkorten van ruim vijf jaar naar net onder de vijf. Dat vraagt een gemiddelde creditprijs van rond de 180 à 200 euro per ton CO₂. Voor een energetisch renovatieproject van 500 000 euro kan een bijdrage van vijf procent via credits, ongeveer 25 000 euro, de beslissing om te starten aanzienlijk versnellen, wat neerkomt op een effectieve prijs van70 euro per ton CO₂. Belangrijk hierbij is dat deze bedragen slaan op het deel van de carbon credit dat effectief naar het project zelf gaat, dus exclusief de kosten voor tussenhandelaars, platformen of andere schakels in de waardeketen.
Ook in de landbouw zijn credits een belangrijke hefboom. Een landbouwer die overschakelt op compost of koolstofrijke bodembeheerpraktijken draagt bij aan CO₂-opslag, maar heeft hogere kosten. Met een carboncreditprijs van circa 50 euro per ton CO₂ en een gemiddelde opslag van 2 ton per hectare per jaar wordt die meerkost gecompenseerd, wat de overstap mogelijk maakt.
Deze voorbeelden tonen dat de juiste prijszetting, hoger dan de traditionele markt, maar realistisch in verhouding tot het investeringsrisico, cruciaal is om projecten te versnellen.
Lokale verankering als sleutel
Naast de looptijd is ook de lokale dimensie van belang. Lokaal gefinancierde projecten zijn transparanter, tastbaarder en maatschappelijk relevanter. Ze brengen het klimaatverhaal terug naar de gemeenschap: scholen, sportclubs, landbouwers en lokale besturen worden partners in de transitie. Elke euro die lokaal circuleert, versterkt niet alleen de klimaatimpact, maar ook het sociaal vertrouwen in de energietransitie. Burgers en bedrijven zien waar hun bijdrage naartoe gaat, en dat verhoogt de geloofwaardigheid van de vrijwillige koolstofmarkt als geheel.
Conclusie
De wereldwijde CO2-concentratiie stijgt nog steeds met twee tot drie ppm per jaar, terwijl we al bijna 50% boven 300ppm de hoogste waarde in 800.000jaar zitten. De tijd van trage, dertigjarige compensatieprojecten is voorbij. Wat we nodig hebben, zijn concrete acties die nú plaatsvinden, dicht bij huis, met directe meetbare impact.
De versnellingsfilosofie van Claire CO₂ biedt daarvoor een kader: kortlopende, lokale carbon credits die investeringen naar voren trekken, nieuwe projecten mogelijk maken en de transitie zichtbaar versnellen. Het is een uitnodiging aan bedrijven en beleidsmakers om CO₂-compensatie opnieuw te zien als een instrument van daadkracht, niet van uitstel. Door deze aanpak te omarmen, kunnen organisaties hun eigen klimaatdoelen sneller realiseren én bijdragen aan een geloofwaardige, toekomstbestendige koolstofmarkt. Lokale carbon credits werken, mits ze worden gebruikt zoals ze bedoeld zijn, als motor van versnelling.
Veelgestelde vragen door potentiële compenseerders
1. Is lokale CO₂-compensatie compatibel met internationale standaarden zoals SBTi of ICVCM?
Ja. De versnellingsfilosofie sluit aan bij internationale evoluties zoals Beyond Value Chain Mitigation (SBTi) en de Core Carbon Principles (ICVCM). Beide erkennen dat carbonfinanciering projecten buiten de eigen waardeketen mag ondersteunen, op voorwaarde dat de additionaliteit aantoonbaar is en er geen dubbele claiming plaatsvindt. Door gebruik te maken van de AIB-residual mix en transparant te rapporteren, voldoet een lokaal, kortlopend project aan de kernprincipes van deze standaarden.
2. Mag een bedrijf al credits inzetten vóór het zijn Net Zero-doel heeft bereikt?
Ja, dat wordt zelfs aangemoedigd. Veel internationale kaders pleiten ervoor om vandaag te investeren in ‘beyond value chain’-projecten die de transitie versnellen. Credits zijn geen vrijgeleide om minder intern te reduceren, maar een manier om parallel de maatschappelijke transitie vooruit te helpen terwijl men intern de eigen emissies blijft aanpakken.
3. Hoe verschilt dit van klassieke, internationale carbon credits?
Traditionele credits hebben vaak een looptijd van twintig tot dertig jaar en financieren verre projecten met een lage kost per ton CO₂. Ze vertragen daardoor de noodzakelijke actie en houden de prijs voor vervuiling laag. Lokale credits hebben een korte looptijd (3–6 jaar), een hogere maar realistische prijs, en leiden tot directe, zichtbare impact. Ze versnellen de uitvoering van projecten in plaats van uitstel te faciliteren.
4. Hoe bepaal ik of een prijs ‘realistisch’ is?
Een gezonde vuistregel is dat een credit voldoende financiële prikkel moet geven om het project nu te laten doorgaan. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld technische projecten met publieke steun: minstens €120 per ton CO₂, koolstoflandbouwprojecten: vanaf €70 per ton CO₂. Lage prijzen onder deze drempels stimuleren meestal geen extra actie en leiden dus niet tot versnelling.
5. Wat is het voordeel voor mijn onderneming om lokaal te compenseren?
Lokaal compenseren maakt de impact tastbaar. Je ziet wat je ondersteunt, medewerkers en klanten kunnen het project bezoeken, en de investering blijft binnen de eigen regio. Dat verhoogt de maatschappelijke legitimiteit van je klimaatstrategie én versterkt je lokale verankering. Bovendien vergemakkelijkt het de rapportering en communicatie: je kan concreet tonen waar en hoeveel CO₂ je hebt helpen reduceren.
6. Hoe garandeert Claire CO₂ de geloofwaardigheid van projecten?
Alle projecten die via Claire CO₂ ondersteund worden, voldoen aan de principes van meetbaarheid, verifieerbaarheid en transparantie. De CO₂-reducties of -opslag worden berekend volgens erkende internationale methodologieën (zoals ISO 14064) en jaarlijks gecontroleerd. Daarnaast wordt per project een duidelijk afgebakende looptijd en kredietperiode vastgelegd, zodat er geen dubbele claiming kan plaatsvinden.
7. Kan een onderneming haar eigen project laten erkennen via Claire CO₂?
Ja, dat is mogelijk. Bedrijven die binnen hun eigen infrastructuur of waardeketen projecten uitvoeren die verder gaan dan wettelijke verplichtingen, kunnen die laten evalueren op basis van de vijf versnellingscriteria van Claire CO₂. Als het project voldoet, kan het worden gecertificeerd als lokaal carboncreditproject, wat ook externe partners toelaat om te investeren in die versnelling.
8. Wat is het verschil tussen offsetting en insetting, en maakt dat uit?
Offsetting betekent dat je een project ondersteunt buiten je eigen waardeketen, insetting situeert zich binnen je keten. Beide kunnen binnen de versnellingsfilosofie passen, zolang de emissiereductie additioneel en kortlopend is. Het verschil zit vooral in de communicatie, insetting draagt bij aan de eigen scope 3-doelen, offsetting aan bredere maatschappelijke impact.
9. Waarom zouden we nu al investeren, als onze eigen Net Zero-doelen nog jaren ver liggen?
Omdat tijd de bepalende factor is. Elke ton CO₂ die vandaag niet de lucht in gaat, telt zwaarder dan een ton die pas in 2035 wordt vermeden. Door nu te investeren in versnellingsprojecten draag je bij aan de afremming van de wereldwijde CO₂-stijging op korte termijn, wat essentieel is om de opwarming binnen de 2°C te houden.
10. Wat is de rol van Claire CO₂ in dit geheel?
Claire CO₂ fungeert als brug tussen bedrijven en lokale klimaatprojecten. We selecteren, meten en certificeren projecten volgens de principes van de versnellingsfilosofie, en zorgen dat elke euro effectief bijdraagt aan onmiddellijke CO₂-reductie of -opslag. Zo kunnen ondernemingen op een geloofwaardige manier lokaal compenseren én versnellen.

